maandag 8 augustus 2011

Ik krijg op mijn telefoon...



Ik krijg op mijn telefoon een mailtje dat de boeken die ik besteld hebben nog steeds klaar liggen in de boekwinkel in het dorpje waar we een vakantiehuisje hebben, en dat als ik die niet snel kom halen, ze teruggestuurd worden.

Ja, dat is waar ook! Voor H overleed heb ik een hele stapel besteld. Maar sinds haar dood zijn we niet in de stemming om vakantie te vieren en dus zijn we al tijden niet daar geweest.

Ik voel me enorm schuldig en besluit de boeken direct te gaan halen. Omdat ik in het buitenland vaker problemen heb met Internet op mn mobiel, print ik het mailtje uit.

Dan loop ik de boekhandel binnen. Het is een mooie grote winkel die in een aantal middeleeuwse pandjes is gevestigd. De pandjes zijn door verschillende trappetjes en lage doorgangen met elkaar verbonden. De ramen zijn er klein, met donkerhouten luiken aan de buitenkant. Overal zijn boekenkasten die tot de nok volgestouwd zijn met boeken. Nieuw is de CD-kast in het eerste pandje, die stond daar de vorige keer nog niet. Met z'n moderne verlichtingspaneel aan de bovenrand misstaat de kast volledig in het verder vooral wat weghebbend van een boekenkerkhof lijkende winkeltje.

Ik hang in de winkel rond tot sluitingstijd; deels om moed te vatten om de confrontatie met de winkelmevrouw aan te gaan, want ik schaam me enorm dat zij zo lang die enorme stapel boeken voor mij heeft bewaard en deels omdat het zo heerlijk toeven is in dit lezersparadijs.

Als de laatste klant de winkel verlaat en ik aanstalten maak om naar de balie te gaan, verandert het licht in de winkel in een spookachtig grijs. Van buiten klinken harde knallen en als ik naar buiten gluur door het raampje naast de boekenkast waar ik het laatste uur in heb staan snuffelen, zie ik vanuit de dichte mist allemaal Dooddoeners verschijnen. Lucius Malfoy loopt met Barty Crouch jr voorop, en daarachter... ik moet mezelf in de arm knijpen voor ik het geloof, want daarachter loopt Hagrid! Ze gooien om beurten hun arm met het Teken in de lucht en roepen: "Ik heb het Boek! Nu komt HIJ!" Ze verzamelen zich en vormen allengs een gesloten cirkel rond de boekwinkel (de rest van het dorpje is verdwenen).

Achter me klinkt een zacht en diep gegrom; het is de Heer van het Duister, in wolvengedaante. Ik kan verstaan wat hij gromt: "Aan het Boek der Profetieën ontbreekt nog maar één pagina en die heb jij. Geef op!" Hierbij staren zijn vuurrode ogen hypnotiserend in de mijne.

Paniekerig gaan mijn gedachten alle kanten op: Pagina? Pagina? Welke pagina?? Welk Boek? Wat doet Hagrid hier bij die griezels? Waar is de rest van het dorp? Nu krijg ik natuurlijk nooit meer de door mij bestelde boeken! Is die wolf echt Voldemort? Waar is de mevrouw van de boekwinkel gebleven?

Het geduld van de wolf is kennelijk op: hij bijt met zijn sterke kaken in mijn linkerkuit. Daarbij verlies ik mijn evenwicht en het printje van het mailtje fladdert uit mijn hand. Voldemorts kaken laten mijn kuit los en happen naar het zwierende velletje papier. De pagina! Maar hoe kan een simpel mailtje met een lijstje boektitels nou ooit die Belangrijke Ontbrekende Pagina zijn?

zaterdag 25 juni 2011

Met de baby van collega F...



Met de baby van collega F. in mijn armen loop ik door de gang. Wat een schatje is het toch. Ze kijkt me met ronde oogjes aan. F. loopt naast me, apetrots. De gang is lang en hoog, met ramen hoog boven ons, en aan weerszijden donkerhouten deuren die zwaar verweerd zijn. Het is er frisjes, wat niet gek is want niet alleen staan de ramen open maar ook is de vloer is van graniet. Aan het eind van de deur horen we achter een grote dubbele deur geluiden. We lopen er naartoe. Ik geef de baby terug aan haar moeder en doe de deur open.

Achter de deur bevindt zich recht voor ons een lange tafel, en in de L-vormige ruimte is er rechts een groep mensen en een tijger. De mensen zijn bezig een kadaver van een antilope in stukken te scheuren, terwijl de tijger zich ertussen probeert te wringen om ook zijn deel te pakken te krijgen.

Collega F legt haar baby op de tafel en loopt naar de groep toe. Vervolgens gaat ook zij aan de antilope sjorren. Dat doet ze niet helemaal handig, waardoor de klauw van de tijger haar teen eraf snijdt! Het bloedt als een rund en de tijger kijkt ineens naar F als ware zij de volgende gang van de maaltijd. Terwijl hij zijn tanden in haar been zet, kan ik nog net de baby van de tafel grissen en de deur uitrennen, de lange gang door. Op zoek naar hulp. Halverwege de gang bedenk ik me dat ik vergeten ben de dubbele deuren te sluiten, en als ik omkijk om te kijken of ik dat nog veilig kan doen, zie ik hoe F aan haar been de gang in gesleept wordt door de tijger.

dinsdag 11 januari 2011

We rijden over een smalle...



We rijden over een smalle kade. Sjaak moet moeite doen om niet te dicht bij de kant te komen. Dan komt er achter ons iemand aangescheurd, die met groot licht duidelijk maakt dat dat hij haast heeft. Als Sjaak niet snel genoeg naar rechts gaat, besluit de automobilist ons rechts in te halen. Daarvan schrikt Sjaak zo erg dat hij naar links uitwijkt. De auto scheurt ons voorbij.

Door de manoeuvre komt Sjaak gevaarlijk dicht bij de linkerrand van de kade. Het linkervoorwiel glijdt over de rand en daar gaan we, het water in!

Door de schok zijn mijn gedachten een paar momenten helemaal blanco. Daarna denk ik alleen nog maar: eruit, hoe komen we hieruit! Ik probeer het raampje naar beneden te doen, maar dat reageert niet. Het lukt me uiteraard ook niet de deur te openen. Waarom hebben we niet zo'n hamertje om de ruiten in te tikken in de auto liggen denk ik, terwijl de auto langzaam steeds dieper in het water wegzakt. Dat gaat sneller naarmate de auto verder begint vol te lopen.

Waar is Sjaak? Kan hij niets bedenken om ons te redden? Ik kijk naast me, maar Sjaak zit in elkaar gezakt op de stoel. Is hij buiten westen? Ik maak de gordels los, zodat we met onze gezichten lang mogelijk in de bubbel lucht die nu nog alleen maar bovenin de auto aanwezig is kunnen ademen.

Als het water mijn lippen raakt weet ik dat het einde nabij is.

maandag 20 december 2010

Iedereen loopt op snowboots...



Iedereen loopt met snowboots en dikke jassen aan en bontmutsen op rond. De bankjes waarop we moeten wachten zijn van heel donker hout, met daarop donkerrode skai bekleding. De balustrades zijn van hetzelfde hout gemaakt, en overal zijn van die lambriseringen van, jawel, donker hout. Er liggen lichtbruine plavuizen. Ik krijg het gevoel dat ik in de jaren '50 ben beland. Of ergens in het Oostblok.

Als we aan de beurt zijn waggel ik richting de spreekkamer, maar als ik me door het gangetje daaraantoe gewurmd heb, blijken er al een hele stoot vrouwen binnen te zijn. Zo gaat het toch niet? Hier kan ik niet gaan bevallen!

De baby heeft kennelijk door dat het nu niet de beste tijd is om geboren te worden. Onder mijn huid door kruipt hij naar boven, en legt z'n koppie op mijn linkerschouder, in het holletje naar mijn nek toe. Met mijn linkerhand ondersteun ik zijn kontje, terwijl ik mijn rechterhand op zijn bolletje leg.

zondag 12 december 2010

De fabriekshal is leeg...



De fabriekshal is leeg, heel leeg. En groot, heel groot. We moeten het bankje en de poefjes die we meegenomen hebben direct rechts naast de deur tegen de muur neer zetten. En gaan zitten. Doordat het bankje aan de rechterkant een hoge armleuning heeft kan ik, die op het poefje direct daarnaast zit, niet eens zien wie er naast mij zit. Hallo, hoe kunnen we op deze manier een zinvol groepsgesprek voeren?

Dat blijkt ook helemaal niet de bedoeling. Vanaf de linkerachterhoek begint de hal eerst langzaam maar allengs sneller vol te stromen met piepschuimbolletjes; een zee van piepschuimbolletjes. In rood, geel, blauw. Een metershoge golf piepschuimbolletjes komt heel langzaam op ons afgerold.

Rechts van me zit collega W, die me een geruststellend kneepje in mijn arm geeft. Wacht maar, het komt helemaal goed, lijken haar ogen te zeggen.

Nu niet in paniek raken, denk ik. Het enige dat ik hoef te doen is zorgen dat ik het vlies dat de bolletjes aan de bovenkant bedekt stevig vast grijp, erop kruip en dan maar hopen dat ik er niet doorheen zak. Zo gezegd, zo gedaan. Dat blijkt overigens nog knap lastig, want het dunne vlies met de daaronder heftig golvende piepschuimbolletjeszee maakt me misselijk en doet me het zicht op de omgeving totaal verliezen.

donderdag 9 december 2010

Twee in het zwart geklede...



Twee in het zwart geklede en gemaskerde mannen dringen het woonschip binnen waar we bezig zijn met het voorbereiden van de verjaardag van mijn moeder. Ze beginnen wild om zich heen te steken met de grote messen die ze bij zich dragen. Terwijl mijn zus en ik ons het vege lijf denken te redden door ons in de toiletten te verstoppen, zie ik dat een van hen een schouderklopje van An krijgt. An, nota bene! De vrouw die mijn tweede moeder is! Wat is hier aan de hand? Met mijn zus kunnen we maar één ding bedenken: An is uit op de erfenis van onze moeder.

zondag 5 december 2010

"Niemand meer bewegen!" roept...



"Niemand meer bewegen!" roept de studente in paniek. "Ik ben mijn lens verloren en die moet hier dus ergens op de grond liggen." Als ik over mijn rechterschouder naar de grond kijk, zie ik het ding direct liggen: want wat een knoeperd van een contactlens! Ik roep de studente, die opgelucht de lens opraapt en hem weer in haar oog doet.

Ik zeg tegen haar dat haar lens bijna net zo groot is als de beschermlens die ik over mijn glazen oog draag om mijn ooglid aan de binnenkant te beschermen. Ze kijkt me geïnteresseerd aan. Maar als ik probeer de beschermlens uit mijn oog te halen om hem aan haar te laten zien, komt ook mijn glazen oog mee!

Hoe ik ook probeer, ik krijg hem zelf niet meer in mijn oogkas geprutst. De man naast mij denkt raad te weten en breekt resoluut een stuk van mijn jukbeen af om wat ruimte te creëren. Nu heb ik niet alleen maar één oog, maar ook een ingevallen en kapotte schedel. Lekker is dat!

Als ik hem boos toebijt dat hij de boel natuurlijk alleen maar erger aan het maken is zo, probeert hij het afgebroken stuk jukbeen via de lege oogkas weer naar binnen te duwen. Tevergeefs.

zondag 13 juni 2010

Het is werkelijk schitterend...



Het is werkelijk schitterend weer: blauwe luchten all over the place en kaarsjes sieren links en rechts de kastanjebomen. Het is een heel eind fietsen naar het ziekenhuis. Als we er bijna zijn, worden we bijna van onze sokken gereden aan de ene kant door een groot aantal witte auto's en overvaren door Rijnaken aan de andere kant. Dat we uiteindelijk binnen weten te raken mag gerust een klein wondertje genoemd worden.

Binnen wordt alles in gereedheid gebracht voor de ingreep. Liefkozend aai ik over mijn bolle buik, wetende dat het kindje dat zich daarin schuil houdt vandaag, 14 februari, geboren zal gaan worden. Het bed waarop ik mag gaan zitten, wordt door de ziekenhuisgang gereden, richting de operatiekamers.

Dan moet ik ineens Heel Erg Nodig plassen. Ik spring van het bed af en ga met een groot gevoel van opluchting op de wc zitten. Als ik de boel laat lopen realiseer ik me dat ook mijn vliezen gebroken zijn, want zoveel vocht past helemaal niet in mijn blaas. Direct wordt besloten om de baby dan maar op natuurlijke wijze geboren te laten worden.

Ik word aan een monitor gelegd om de toestand van het kind volcontinu in de gaten te kunnen houden. Naast mij liggen nog wat hoogzwangeren aan diverse monitoren: zo is daar J, met wie ik op de middelbare school bevriend was, de fanatiek doortwitterende @NatasjaO en een mysterieuze vrouw die geheel in het zwart gekleed gaat.

Aan de overkant van de zaal liggen daarnaast nog andere zwangeren: een walrus en een mastiff. Op hun schermen kun je zien dat zij van meerlingen in verwachting zijn. De walrus zal twee drielingen, een tweeling en twee eenlingen gaan krijgen. Tsjonge, denk ik, je zult toch maar tien kinderen tegelijk krijgen!

vrijdag 21 mei 2010

Waar je vroeger altijd...



Waar je vroeger altijd door een klop op de deur van de behandelkamer liet weten dat je er was, nu is er een intercom. Ik meld me aan, vertel dat ik geen afspraak heb maar dat ik me toch ernstig zorgen maak en dat ik hoop dat er nog een gaatje in de agenda van de dokter te vinden is. De assistente zegt dat ze even met de dokter zal overleggen. Een paar minuutjes later komt de mededeling dat ik maar even in de wachtkamer moet blijven zitten en dat ze me op zal roepen zodra er ruimte is.

Ik wacht de hele dag. De poes ligt rustig in mijn armen en kijkt niet op of om naar de andere dieren die een voor een binnen komen, naar boven gaan en weer verdwijnen. Wat is ze mager geworden en wat is haar vachtje dof!

Aan het eind van de dag houd ik het niet meer uit. Ik loop mee met een van de opgeroepen patienten naar boven. Ook de praktijk is helemaal anders: het is een huis dat in Jugendstil-stijl is op getrokken, met allemaal trappetjes en veel, heel veel donker hout.

Tot mijn stomme verbazing zie ik dat de dokter dit maal een man is. En niet zomaar een man, maar mijn ex. Hij werpt een blik op de poes die opgerold in het plastic tasje ligt en zegt: "Niks aan de hand, ik heb wel wat beters te doen dan mijn tijd aan jou en je beesten te verdoen. Ik moet naar mijn moeder. Ze is ziek."

Ik schrik: is zijn moeder ziek? Mijn ex-schoonmoeder? "Wat heeft ze?", vraag ik. "Kanker", is het antwoord. "Mag ik een kaartje sturen?" "Nee", zegt hij kortaf. Ik voel boosheid in me opwellen. Ik slik die weg en zeg, vriendelijk maar in niet mis te verstane bewoordingen: "Bij deze deel ik je mee dat ik haar een kaartje zal sturen. Daarvoor heb ik jouw toestemming niet nodig."

En met die woorden ga ik terug naar beneden. Op weg naar beneden zie ik op de trap allemaal graffiti gespoten. Grove beledigingen aan het adres van de dokter. Blijkbaar wordt hij door meer mensen veracht.

zaterdag 27 februari 2010

Wat is dat continue verhuizen...



Wat is dat continue verhuizen toch vervelend. Heb je net je spullen uitgepakt en je labopstelling werkend, moet je alles weer afbreken! Zo ook dit keer. Zuchtend ga ik met mijn studenten aan de slag. Het blijkt dit keer nog knap lastig te zijn om alle onderdelen goed gemerkt en veilig verpakt in dozen te krijgen. Dat komt doordat de studenten er nog maar net twee weken zijn. Weten zij veel?

Wel fijn dat de opstelling ineens niet meer van glazen onderdelen maar van LEGO en K'NEX blijkt te zijn gemaakt. Dat maakt het afbreken en in dozen doen een stuk gemakkelijker. Als tenminste die ene jongen met dat groene haar niet iedere keer met de rode blokjes weg zou lopen naar de overkant van de gang. Hij gaat daar steeds een witte deur door. Ik zie hem die ruimte niet uitkomen, maar keer op keer zie ik hem frommelen aan die rode blokjes en vervolgens door die witte deur verdwijnen.

Op een gegeven moment besluit ik om op onderzoek uit te gaan: wat bevindt zich achter die witte deur? Ik duw hem open en bevind me in een heel gewoon prakticumlokaal, met van die lange houten tafels met gas- en waterkranen en zuurkasten. De student is nergens meer te bekennen. Ik vermaak me met het laten gloeien van een buizentang in de blauw gestookte vlam van een bunzenbrander.

woensdag 24 februari 2010

We lopen door een bouwvallig...




We lopen door een bouwvallig stationsgebouw. Sjaak is boos op me, erg boos. Hij heeft groot gelijk ook nog. Ik heb hem namelijk bedrogen. Met een man die ik niet eens aantrekkelijk vond maar waarvan werd beweerd dat hij een cactus in zijn broek had. En dat wilde ik wel eens zien. Het stomme is dat ik als gevolg daarvan een akelige ziekte heb opgelopen en dat ik Sjaak ervan moet zien te overtuigen dat ook hij medicijnen moet slikken.

Het vervelendste is trouwens dat ik helemaal geen tijd voor ruzie heb, ik moet namelijk mijn vliegtuig halen. En dat wordt al moeilijk genoeg want mijn koffer is nog maar half ingepakt (wat moet ik toch doen met die crème fraîche?) en in het stationsgebouw zijn twee treinen op elkaar geklapt. Dat heeft de toch al bouwvallige staat van het station er niet beter op gemaakt: overal liggen brokstukken waar je voorzichtig overheen moet stappen.

vrijdag 15 januari 2010

Ik zit in de tram...



Ik zit in de tram naar Nieuwegein, verheugd om op bezoek te kunnen gaan in de nieuwe flat van Christine. Die blijkt blauw, heel erg blauw te zijn: muren, vloeren, zelfs het plafond is blauw. Haar zoontje Stijn is er ook, hij ligt vrolijk kraaiend op een blauw dekentje op de grond.

In de keuken leunen we tegen het blauwe aanrecht terwijl de waterkoker naast de blauwe theepot snort. Christine steekt nogal af in haar donkerrode trui, zwarte spijkerbroek en witte sportsokken. Ze zucht: er is nog zoveel te doen voor al dat blauw over geverfd is, zou ze daar überhaupt wel aan gaan beginnen?

Als ik weer naar buiten stap blijk ik me verder via het water te moeten verplaatsen. Op een hol stukje boomschors, wel te verstaan. Voorzichtig peddel ik de groenige rivier af, die al snel verandert in de Amazone. Dat ik dat weet komt doordat er een donkere, halfnaakte man in een bootje naast me zegt dat ik mijn benen niet over de rand van mijn stuk schors in het water moet laten bungelen: er zwemmen krokodillen in de Amazone.

Ik probeer ze binnenboord te halen. Onbegonnen werk, want het stuk schors is veel te klein. Dan maar goed opletten. Als ik in het water tuur zie ik echter geen krokodillen maar wel een enorme schildpad zwemmen in de diepte. Of beter gezegd, zijn contouren, want het water is te troebel om het goed te zien.

Ik overweeg me aan te sluiten bij een groep backpackers die verderop op de rivier aan het kanoën is. Een van hen, een meisje, vraagt me in het Spaans of ik weet waar het station is. Voor ik haar kan antwoorden hoor ik Nederlands: een van haar reisgenoten bitst dat ze het in het Portugees moet vragen, we zijn immers in Brazilië! Oh nee he, het is een groep Nederlanders! Daar heb ik geen zin in, ik ben hier niet om me in mijn eigen taal te redden.

Er zit in de groep een heel arrogante man, die de anderen commandeert alsof hij hier al jaren komt maar mij is duidelijk is dat hij dat bluft: hij is zo dom om zijn portemonnee bovenin zijn open rugzak te laten liggen terwijl hij de groep naar een uitkijksteiger dirigeert die zich aan de andere kant van een bamboe-poort bevindt. Zal ik hem waarschuwen of laten boeten voor deze stommiteit? Ik besluit het eerste. De verbijstering op zijn gezicht als ik hem in het Nederlands waarschuw is het meer dan waard.

maandag 9 maart 2009

Wanneer ik met de lift...



Wanneer ik met de lift terug naar boven ga, ziet de hal van de studentenflat er totaal anders uit dan toen ik kort geleden naar beneden ging om even een kaasrasp uit de keukenla beneden te pakken. Ook mijn studentenkamertje is veranderd in een grote hotelkamer met een kingsize-bed dat voor de openslaande balkondeuren staat. Het is jammer dat die wijd openstaan want het plenst dat het een lieve lust is. Snel spring ik op het bed en probeer tevergeefs de deuren dicht te trekken. Met toenemende verbazing kijk ik hoe door de hoosbui het regenwater inmiddels ook via een scheur in het plafond de kamer begint binnen te druppelen. Ik probeer de spullen die er in de kamer staan in veiligheid te brengen door ze aan beide kanten van de scheur op te stapelen.

Dat lost niets op, het water buiten stijgt bijna net zo snel als het de kamer binnenstroomt via het plafond. Ik moet mezelf in veiligheid zien te brengen! Ik gooi het matras over de rand van het balkon en zie tot mijn opluchting dat het blijft drijven. Heel voorzichtig stap ik zelf ook over de rand, en laat me op het matras zakken. Dat gaat goed. Met een ragebol duw ik mezelf weg van de inmiddels bijna onder water verdwenen studentenflat.

Gek genoeg stopt het vrijwel direct met regenen en met een prachtig zonnetje op mijn hoofd peddel ik het matras in de richting van het tropische eiland in de verte. De palmbomen die de grens van het strand naar het tropische bos vormen wuiven me zachtjes hun welkomsgroet toe.

Als ik op het strand aanmeer, blijkt tussen de palmbomen een hele rij motoragenten te staan. Ze wachten me met zwaailichten op. Wat zou ik verkeerd gedaan hebben?

maandag 26 januari 2009

Ik dwaal eindeloos...



Ik dwaal eindeloos door het centrum van de stad. Het ene pittoreske ophaalbruggetje na het andere glijdt daarbij onder mijn wielen door, en ook passeer ik menig kapitaal grachtenpand. En toch kom ik geen steek verder. Net als ik wanhopig begin te worden, kom ik zus L. tegen. Zij buigt zich door mijn geopende raampje naar binnen, pielt wat met de Tomtom en verzekert me dat het zo zou moeten lukken. Als ik verder rijd, realiseer ik me dat ik helemaal vergeten ben haar te bedanken.

woensdag 21 januari 2009

Op de afgesproken tijd...



Op de afgesproken tijd sta ik met één van de kinderen bij het huis. De voordeur staat op een kier, dus lopen we naar binnen. Kennelijk zijn onze vrienden achter in de tuin en waren ze bang de deurbel niet te horen. We roepen vrolijk 'hallo!!', maar de enige begroeting is een doodse stilte. We zoeken in de tuin, in het huis. Waar is iedereen?

In de achterslaapkamer op de eerste verdieping ligt een rare bult dekens. Bovenop een gele. Als ik die wegtrek slaat mijn hart een slag over. Onder de deken liggen W, J en de kinderen. Dood. 'Opgeborgen' tussen de bladzijden van een groot boek, zoals je planten opbergt in een herbarium.

Paniek bevangt me. Ik ga koortsachtig mijn haperende geheugen langs op zoek naar relevante telefoonnummers van wederzijdse vrienden. Dan vraagt het kind of ik niet gewoon 112 moet bellen. Ja, natuurlijk!

Als de politie weg is en ik met betraande ogen door het huis loop kom ik mijn moeder tegen, snikkend. Met rode ogen zegt ze dat ons uitstapje natuurlijk niet door kan gaan en dat ze nu liever alleen is, dus dat ze maar even boodschappen gaat doen.

Even later hoor ik opnieuw gesnik. Dit maal komt het geluid vanaf de zolderverdieping. Een mij onbekend vrouwspersoon komt de zoldertrap afgelopen. Ze is gekleed in zwarte kniekousen, zwarte rokken, een zwarte sjaal en een hoofddoekje, en doet me daarom denken aan beelden van rouwende vrouwen uit Bosnië. Ze heeft haar borsten ontbloot en slaat daar tegenaan terwijl ze luid weeklagend door naar beneden loopt.

zondag 18 januari 2009

Ik heb een fiets nodig...



Ik heb een fiets nodig, en snel. Anders kom ik nooit meer weg van dit door God en de rest van de wereld verlaten bouwterrein. De damesfiets met de gifgroene fietstassen staat niet op slot. Ik besluit die dan maar mee te nemen.

Als ik erop weg wil fietsen, valt me op dat er in koeienletters 'LNV' op de fietstassen staat, gevolgd door de naam van zus G. Nou ja, zeg, ik kan toch moeilijk de fiets van mijn zus jatten? En bovendien, wat doet mijn zus hier, op deze donkere donderdagavond, hier in Nederland, in dit gure oord? En wat doet zij met fietstassen van LNV?

Ik zet de fiets terug in het rek, zet 'm op slot en loop het universiteitsgebouw weer binnen. Daar is het in ieder geval fijn licht en warm. Ondertussen bel ik mijn zus, die zeer verbaasd is als ze hoort dat ik in de buurt ben.

Al snel komt ze naar de hal van het gebouw toe. Ze heeft een rugzakje op haar rug, waaruit een krulsnoertje steekt. Dan rinkelt de telefoon die er kennelijk aan vast zit. Ze zucht, doet het rugzakje af, neemt de telefoon eruit en neemt op.

zaterdag 17 januari 2009

We zoeken een tentje...



We zoeken een tentje om te eten. Een restaurant met de naam: "Gravin van Brabant" trekt onze aandacht. Door de aankleding - blauwe glanzende doeken scheiden de verschillende tafeltjes van elkaar af, het meubilair is van donker, glanzend gepoetst eiken en de stoelen zijn met rood fluweel bekleed - voelen we ons warm welkom. We installeren ons dus op ons gemak en hebben hoge verwachtingen van deze avond.

Maar allengs verandert ons gevoel. Het is hier helemaal niet gezellig! Er zitten veel grijze duiven die zwijgend tegenover elkaar aan tafel zitten. Bij het bekijken van de menukaart valt ons op dat het ook nog eens een belachelijk duur restaurant is. Toch bestellen we. Het eten smaakt overigens prima.

Achterin de zaak is een brede trap van zes treden door blauwe glanzende doeken afgescheiden van de rest van het restaurant. Nieuwsgierig gluur ik tussen de doeken door en zie dat in de ruimte daarachter een enorme bol zachtjes ronddraait. Op de bol zijn verschillende vormen uit een soort schuimrubberen kussens vastgemaakt. Ik herken in een van de kussens de vorm van Azië. Aha, het is een wereldbol!

Dan dringt tot me door dat ik de internetblokkade die Azië al tijden platlegt kan oplossen door de witte veer die vastzit uit het schuimrubber te trekken. Ik grijp Azië vast en probeer op de bol te klimmen, richting veer, die zich ter hoogte van Noord-Siberë bevindt. Maar doordat de bol draait word ik meegenomen, steeds hoger de lucht in. De bol is echt gigantisch en inmiddels ben ik zeker tien meter boven de grond. Ik vind het doodeng en hoop bibberend dat ik er niet vanaf zal vallen.

zondag 4 januari 2009

We versieren de aula...



We versieren de aula voor de viering van het einde van het schooljaar. Dan komt de jonge en zeer populaire media-docente binnen. Ze vertelt ons dat we het versierwerk wel even kunnen laten voor wat het is want we moeten eerst een proefwerk maken. Dat kan wel in de aula hoor, we hoeven er niet voor naar haar lokaal. Zij zal de vragen voorlezen en het enige dat we hoeven te doen is de antwoorden op te schrijven.

Ik heb wel een pen op zak, maar geen papier. Dus neem ik maar een van de papieren vlaggetjes die ik aan het ophangen was en schrijf ik daarop mijn antwoorden. Geknield voor de stoel waarop ik stond, die ik voor het gemak maar even als schrijftafeltje gebruik.

De docente wil dat we opschrijven waar we de informatie zouden zoeken die we nodig hebben om haar vragen op te lossen. Zo heeft ze een vraag over het omzetten van de registratie van een auto met buitenlands kenteken, wil ze weten hoe je aan de regels komt die gelden voor de tewerkstelling van Poolse klussers en het adres van de gemeentelijke instantie die over naturalisatie gaat.

Ik vind de vragen belachelijk eenvoudig. Elk antwoord begin ik met "Google.com!" en daaronder schrijf ik: Je kunt vast ook informatie vinden op "overheid.nl" en "utrecht.nl".

Dan gluur ik even steels naar mijn buurvrouw, die geknield op de grond haar antwoorden op zo'n uitblaastoetertje kriebelt. Zij heeft geschreven: "Bel toch de gemeente!". Ik grijns. Dat is precies het verschil tussen haar en mij: zij gebruikt de telefoon en ik het internet.

Pas als we alle vragen hebben gehad, merk ik dat ze met elkaar in verband staan: de docente wil haar Poolse vriend vragen met zijn makkers haar huis op te knappen en wil er daarna met hem wonen en zijn auto gebruiken. "Duh, hoe dom kun je zijn dat je dat nog niet doorhad!" scheld ik mezelf uit. En dus eindig ik mijn proefwerk met onderaan het inmiddels smoezelige vlaggetje te kalken: "Of je vraagt een groep scholieren waar zij het zouden zoeken!"

dinsdag 23 december 2008

We zitten aan lange...



We zitten aan lange schragentafels. Daar houden we ons bezig met het breken van eieren, enorme stapels eieren. De schalen verdwijnen naar de grond, de dooiers en struif via een soort glijbaantje de grond in. Ik zit naast collega C.

Ineens staat de stoelmasseur achter ons. Ze pakt een ei en breekt die in de nek van C, die direct gewillig het hoofd buigt en de prut in haar nek laat inmasseren. Het ziet er goor uit maar haar genietende blik vertelt me dat dit dus fijn moet zijn.

Nadat C onder handen is genomen, begint de masseur de stoel in elkaar te zetten die ze normaal gesproken gebruikt. Dat is nog best ingewikkeld. Om haar te helpen wordt er een filmpje op de muur geprojecteerd waarin iemand een ligstoel voor in de tuin monteert.

Ik besluit me ook op te geven voor deze massage en loop dus naar beneden om op het plein voor het gebouw het formuliertje te gaan ophalen dat ik hiervoor in moet vullen. Voor de deur kom ik collega F. tegen. Hij doet wat lacherig als ik uit de formulierenpaal het massageformulier trek en afscheur. "Die onzin met die eieren, nou dat hoeft niet voor mij hoor!" bast hij.

Als ik boven kom is de zaal tot de nok toe gevuld met collega's. Niet alleen zitten ze aan de schragentafels maar ook overal op de grond, in de vensterbanken, op de trappen. Ze luisteren naar een man. Deze man houdt een lang en saai betoog waar bovendien geen touw aan vast te knopen is. Op het moment dat ik binnenkom, zien enkele collega's hun kans waar: zij sneaken de zaal uit.

zondag 14 december 2008

Bij het binnengaan van Trans II...



Bij het binnengaan van Trans II kom ik een studiegenote van vroeger tegen. "Hé Karin!" roep ik. Ze draait zich met een verbaasd gezicht om. Haar bolle buik verraadt direct dat ze zwanger is. Ik feliciteer haar van harte en vraag haar of ze van plan is terug te keren naar de States. Ze antwoordt: "Nee, nu ik een kind krijg wil ik me weer in Nederland vestigen. Maar helaas is nog niet alles rond." We lopen de collegezaal in. Karin gaat direct rechts op de voorste rij zitten. Ik glimlach nog even naar haar en loop dan naar de andere kant van de zaal, want ik zit liever dicht bij het raam.

Langzaam vult de zaal zich met oude bekenden. Ik raak met Bart aan de praat. Natuurlijk gaat het over kinderen. Bij het horen van de grootte van het NSG trekt hij geamuseerd de wenkbrauwen op. Of ik dan misschien zitjes bovenop de auto gemonteerd heb? Nee, lach ik, we hebben een SUV, nee, ik bedoel, nou, hoe heet dat nou, een MPV. Bart vraagt me of ik weet wanneer Saskia uitgerekend is, want ik stond immers met haar te praten zo-even? Argh, nee toch, wat een sukkel ben ik! Heb ik haar Karin genoemd. Maar natuurlijk is het Saskia. Wat een ontzettende blunder! Geen wonder dat ze een beetje vreemd keek.

Vooraan in de zaal is een rijtje militairen gaan zitten. Hun geweren houden ze op schoot. Het geeft me een bijzonder onprettig gevoel. Wat zijn ze van plan? Is dit de voorbode van geweld? Tot ik tussen hen ineens de blonde stekeltjes van Arnold herken. Ik zwaai enthousiast en dan zie ik ook in zijn ogen herkenning. We vliegen elkaar in de armen.